Terug naar de reis | naar volgende bestemming

Het verhaal gaat

In ‘Inn d’n Vijf Sinnen’ is het reisgezelschap ontvangen door broeder Wijnen.

Tijdens deze bestemming gaat het over grote of kleine verhalen. Het grote verhaal is vaak wel bekend maar de kleine verhalen vertellen de boodschap. De bijzonder inspirerende en spirituele verteller, broeder Wijnen, zal u het ‘kleine verhaal’ vertellen. Broeder Wijnen is Franciscaan. Hij leeft in het oudste klooster in Nederland in Velp (Brabant).


Broeder Wijnen vertelt het verhaal van Franciscus die aan broeder Leo uitlegt waarin de ware vreugde verscholen zit. De ware veugde zal er voor Franciscus blijkbaar slechts dan zijn, als hij erin slaagt zijn geduld te bewaren, wanneer hem - na kou en duisternis te hebben verduurd - een onderkomen geweigerd wordt door broeders die, in plaats van hem liefdevol op te nemen, hem in de kou laten staan. En die hem doorverwijzen naar het toenmale 'Leger des Heils'. Aan wie het dan gegeven is, te verdragen, dat hij helemaal niet gedragen wordt door zijn onwillige broeders, en er toch zijn innerlijke vrede niet bij verliest, die kan pas van ware vreugde spreken. Lees hier het hele verhaal.

Ook vertelt broeder Wijnen het verhaal van Franciscus en de Wolf. Dit is hier volledig lezen.

Over Fransiscus: "In Assisi, een stad in het dal van Spoleto, leefde een man, Franciscus geheten. Van jongsaf hadden zijn wereldsgezinde ouders hem in ongebonden vrijheid laten opgroeien. En omdat hij hun minderwaardige levenswijze lange tijd tot voorbeeld had genomen, waren zijn wereldse gezindheid en ongebondenheid steeds groter geworden en overtrof hij daarin nog zijn ouders. Ook mensen immers, die tot de Christenen gerekend werden, lieten hun kinderen bewust vanaf hun eerste levensjaren in alle vrijheid opgroeien zonder te proberen ze ook maar in het minst binnen de perken te houden. Zo sterk was de greep, die deze slechte gewoonte overal op de mensen gekregen had; zozeer was deze verderfelijke methode van opvoeden als het ware vaste wet geworden. De ouders leerden hun kinderen, zodra deze hun eerste woorden stamelden, ook al dronken ze nog de moedermelk, door gebaren en woorden bepaalde, zeer afkeurenswaardige dingen; en wanneer de zuigelingentijd voorbij was, dwongen ze hen niet alleen gemene en liederlijke zingen te zeggen, maar die ook te doen. En geen van die kinderen waagde het uit schroom, zoals die eigen is aan die leeftijd, zich behoorlijk te gedragen. Deed er ,,n het wel, dan kon hij rekenen op zware straf. Met recht zegt daarom een heidens dichter: 'Omdat we opgegroeid zijn in de leerschool van onze ouders, zijn we vanaf onze jeugd een prooi van alle kwaad.' En hij heeft gelijk. Want hoe beter in vervulling gaat wat ouders voor hun kinderen wensen, des te meer nadeel ondervinden die kinderen ervan. En als ze dan nog wat ouder geworden zijn, drijft hun eigen aandrang hen van kwaad tot erger. Uit een verziekte wortel kan immers alleen maar een zieke boom groeien en wanneer iets eenmaal misvormd is, kan men het nauwelijks meer in behoorlijke vorm brengen. Maar dan komt de tijd dat ze volwassen worden. Hoe denk je, dat ze dan zullen zijn? Geloof me, ze laten zich door iedere soort losbandigheid meeslepen. Ze mogen immers vrij doen waar ze zin in hebben. En met alle ijver maken ze zich dienstbaar aan het kwaad. Wanneer ze immers zo, uit vrije wil, voor de slavernij aan de zonder gekozen hebben, stellen ze hun hele persoon in dienst van de ongerechtigheid. Van Christendom is er in hun wijze van leven geen spoor meer te bekennen; Christen zijn ze alleen nog in naam. En meestal verzinnen de ongelukkigen er dan nog dingen bij, die erger zijn dan die ze gedaan hebben. Stel je voor, dat ze minder schuldig waren; ze zouden er wel eens meer veracht om kunnen worden! "